Dit artikel is een bijdrage van Ariel (pseudoniem), een ben Noach met een christelijke achtergrond.

Mijn doel met dit artikel is om iedereen met belangstelling voor het Jodendom te laten zien dat er in de Schrift aanwijzingen te vinden zijn voor het bestaan van de Mondelinge Leer.

In dit artikel zal ik een aantal bronteksten in de Schrift benoemen en daarvan een interpretatie geven. Sommige onderdelen zal men duidelijker vinden dan andere. Het is echter vooral ook het geheel in onderling verband beschouwd wat uiteindelijk een argument oplevert dat iedere afzonderlijke brontekst overstijgt. In mijn argumentatie volg ik min of meer de chronologische tijd. Ik heb gebruikgemaakt van de Statenvertaling voor de Nederlandse tekst.

De eerste dag

Een eerste aanwijzing voor het bestaan van de Mondelinge Leer, nog van voor het geven van de openbaring op Sinai, betreft ‘de eerste dag’ uit Genesis 1:5.

Algemeen wordt aangenomen dat dat de (huidige) zondag betreft en dat de sabbat op de zaterdag valt (van vrijdagavond tot zaterdagavond). Dit is echter niet uit de Schrift af te leiden, maar is een interpretatie gebaseerd op mondelinge overlevering, oftewel, een Mondelinge Leer.

Noach en reine dieren

Een tweede aanwijzing kan men ontlenen aan het feit dat Noach kennis had van het onderscheid tussen reine en onreine dieren:

Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje. — Genesis 7:2

De Schrift vermeldt alleen maar dat Noach dit onderscheid kende zonder te vermelden hoe. Dit laatste vormt de eigenlijke kracht van dit argument. Als er in Genesis zou staan dat God op enig moment aan Noach bekend maakte welke dieren rein zijn en welke niet, zou dit onderwerp onderdeel geworden zijn van de Schrift.

Maar dat is niet het geval, het onderscheid tussen reine en onreine dieren wordt bij Noach in de Schrift bekend verondersteld. Er moet dan dus een andere bron zijn dan de Schrift zelf; een Mondelinge Leer.

Abraham kende geboden

Als derde zou ik willen wijzen op het feit dat de Schrift zegt in Genesis 26:5:

Daarom dat Abraham mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden mijn bevel, mijn geboden, mijn inzettingen en mijn wetten.

Ook hier is het argument vergelijkbaar als bij Noach. De Schrift verwijst hier naar kennis bij Abraham van Gods ‘bevelen, geboden, inzettingen en wetten’ zonder te vermelden hoe Abraham aan deze kennis gekomen was. Dit terwijl er toen nog geen openbaring op Sinai gegeven was.

Ook praktisch geldt, zowel bij Noach als bij Abraham, dat deze ‘bevelen’ en dergelijke, mondeling doorgegeven moeten zijn aan hun nageslacht (Genesis 18:19). Dat is echter wel een argument op zich, maar methodologisch eigenlijk van ondergeschikt belang aan het hiervoor gegeven hermeneutische argument. Waar het namelijk hier in de eerste plaats om gaat is dat in de Schrift het bestaan van meer kennis buiten de letter van de Schrift verondersteld wordt.

Gelijk ik u geboden heb

Hier valt op dat vanaf het moment van openbaring op de berg Sinai Mozes aan het volk geleerd heeft (Exodus 18:16) terwijl hij pas aan het eind van de omzwervingen in de woestijn de Tora (Genesis-Deuteronium) neergeschreven heeft (Deuteronomium 31:24). Het is daarbij waarschijnlijk dat Mozes tijdens deze 40 jaar meer overgedragen heeft dan strikt neergeschreven in de Schrift.

In de juridische praktijk van alledag is het normaal dat er sprake is van een ‘grondwet’ of een ‘kaderwet’ die, in ieder geval op onderdelen, nadere uitwerking behoeft om in detail te kunnen voldoen aan hetgeen er in de ‘grondwet’ op hoofdlijnen voorgeschreven is. Wat omvat bijvoorbeeld het werkverbod op de sabbat, wat wil dat zeggen? Het ligt voor de hand dat Mozes dat uitgelegd en nader verklaard heeft, anders dan alleen het verbod tot het aansteken van vuur (Exodus 35:3).

Een aanwijzing voor dergelijke nadere (mondelinge) instructies kan men ook wel vinden in de tekst van Mozes. Zo zegt hij wat betreft het slachten:

Zo zult gij slachten van uwe runderen en van uwe schapen, die de HEERE u gegeven heeft, gelijk als ik u geboden heb. — Deuteronomium 12:21

Natuurlijk kan men ook deze zin lezen als zijnde dat ‘gelijk ik u geboden heb’ terugslaat op ‘die de HEERE u gegeven heeft’. Die lezing acht ik echter niet waarschijnlijk, omdat dan de zinsnede ‘gelijk ik u geboden heb’ overbodig zou worden na de mededeling inzake de runderen en schapen ‘die de HEERE u gegeven heeft’. Waar het mij om gaat is dat Mozes hier lijkt te verwijzen naar geboden die zelf niet, althans niet volledig, opgetekend staan in de Schrift.

Naar alles wat zij u zullen leren

Belangrijker is echter het feit dat Mozes zijn eigen leergezag overgedragen heeft:

En gij zult komen tot de Levietische priesters, en tot den rechter, die in die dagen zijn zal; en gij zult ondervragen, en zij zullen u de zaak des rechts aanzeggen. En gij zult doen naar het bevel des woords, dat zij u zullen aanzeggen, van diezelve plaats, die de HEERE verkiezen zal, en gij zult waarnemen te doen naar alles, wat zij u zullen leren. Naar het bevel der wet, die zij u zullen leren, en naar het oordeel, dat zij u zullen zeggen, zult gij doen; gij zult niet afwijken van het woord, dat zij u zullen aanzeggen, ter rechter- of ter linkerhand. — Deuteronomium 17:9-11

Dit is juridisch geen vreemde gang van zaken. In moderne, grondwettelijke regelingen worden ook bevoegdheden gecreëerd (met een duur woord: geconstitueerd). Dit is belangrijk omdat er nu een orgaan ontstaat wat niet alleen het gezag heeft om vast te stellen wat Mozes zelf nog bij zijn leven geleerd heeft, maar ook nieuwe regelgeving te vervaardigen (uiteraard binnen de kaders van de wet van Mozes).

Nu kan men tegenwerpen dat deze passage uit Deuteronomium alleen maar ziet op de toepassing van de wet in het concrete geval. Men raakt dan een oude discussie over de vraag of de rechter(lijke macht) ook een rechtsvormende taak kan/mag hebben. Wat daar van zij, het is bijna onvermijdelijk dat ieder rechtsprekend orgaan in de loop der tijd enig rechtsvormend effect zal hebben om de eenvoudige reden dat er in de toekomst situaties zullen ontstaan waar de wet niet in voorzien heeft (dat wil zeggen, niet in de wet geregeld zijn). De wet moet dan geïnterpreteerd worden naar het heden, en de grens tussen ‘invulling’ en ‘aanvulling’ is dan vaak vloeiend.

Mozes lijkt blijkens de bewoordingen van de tekst dit alleszins voorzien te hebben – en een eventuele discussie daarover uitgesloten – door enerzijds te zeggen: ‘En gij zult doen naar het bevel des woords, dat zij u zullen aanzeggen’ (vers 10a), terwijl hij anderzijds zegt: ‘En gij zult waarnemen te doen naar alles, wat zij u zullen leren. Naar het bevel der wet, die zij u zullen leren, en naar het oordeel, dat zij u zullen zeggen, zult gij doen’ (vers 10b-11). Waarbij het in het eerste geval gaat om het oordeel in het concrete geschil, wat mogelijk ziet op loutere toepassing van de bestaande regels, gaat het bij het tweede nadrukkelijk om de bevoegdheid vast te stellen wat de regels zijn (dat gaat verder dan toepassen van de ‘bestaande regels’).

Tenslotte is het gezag van Mozes niet alleen op deze plaats juridisch-formeel verankerd. Op een andere plaats moet Mozes 70 oudsten uit het volk aanwijzen die met hem de last van het volk zullen dragen en van de Geest van God zullen ontvangen (Numeri 11:16-25). Een verband tussen beide Schriftplaatsen ligt voor de hand, en daarmee tevens dat de 70 oudsten bij Mozes geen eenmalige verzameling waren maar het begin van een traditie (het Sanhedrien).

Daniël bad driemaal daags

Bij de veroordeling van Daniël tot de leeuwenkuil wordt vermeld (Daniël 6:11) dat hij driemaal daags geknield bad in de richting van Jeruzalem, in een kamer met vensters, ‘gelijk hij vóór dezen gedaan had’.

Wat wil dat laatste zeggen? Was Daniël zo roekeloos dat hij vasthield aan zijn zelfbedachte toevallige gewoonten en daarmee zijn leven in de waagschaal stelde, terwijl Mozes geen van deze gewoonten heeft voorgeschreven?

Het ligt meer voor de hand om te veronderstellen dat deze vermelding op iets anders ziet, namelijk een traditie die voorschrijft dat men driemaal moet bidden in de richting van Jeruzalem, in een kamer met vensters.

De Schrift moet ‘verklaard’ worden

In Nehemia 8 ziet men in de praktijk plaatsvinden dat de Schrift uitgelegd wordt.

En zij lazen in het boek, in de wet Gods, duidelijk; en den zin verklarende, zo maakten zij, dat men het verstond in het lezen. — Nehemia 8:9

De Schrift moet ‘verklaard’ worden en daar is, in de toepassing ervan, ook een vorm van gezag voor nodig – zie daarvoor mijn opmerkingen over de overdracht van het gezag van Mozes onder Gelijk ik u geboden heb en Naar alles wat zij u leren.

Nehemia: sabbat begint ’s avonds

Bij De eerste dag benoemde ik het ontbreken van een Bijbels voorschrift inzake de dagen van de week. Evenmin is er een dergelijk voorschrift betreffende het begin van de dag (als de zon ondergaat of als hij opkomt?). Wel blijkt dat Nehemia ervan uitgaat dat de sabbat tegen de avond begint.

Het geschiedde nu, als de poorten van Jeruzalem schaduw gaven, voor den sabbat, dat ik bevel gaf, en de deuren werden gesloten; en ik beval, dat zij ze niet zouden opendoen tot na den sabbat; en ik stelde van mijn jongens aan de poorten, opdat er geen last zou inkomen op den sabbatdag. — Nehemia 13:19

Het ligt niet voor de hand om te veronderstellen dat het Joodse gebruik om de dag tegen de avond te laten aanvangen gebaseerd is op deze tekst uit Nehemia. Wat veeleer voor de hand ligt, is dat Nehemia hier een bestaande traditie in acht neemt met betrekking tot de sabbat en de aanvang daarvan (gezien de gemene zaak die hij ermee maakt, zie vers 21).

Hetzelfde geldt mogelijk ook voor de specifieke sabbatsschending die in dezelfde tekst beschreven wordt, namelijk dat er geen ‘last’ mag inkomen op de sabbatdag. Ook wat dat betreft geen expliciet voorschrift uit de wet van Mozes. Zie ook Jeremia 17:21 waar eveneens aan het verbod tot het dragen van een last gerefereerd wordt.

Zo zegt de HEERE: Wacht u op uw zielen, en draagt geen last op den sabbatdag, noch brengt in door de poorten van Jeruzalem. — Jeremia 17:21

Zacharia noemt vastendagen

Zacharia maakt melding van een viertal vastendagen die niet door Mozes zijn voorgeschreven maar later pas ingesteld.

Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Het vasten der vierde, en het vasten der vijfde, en het vasten der zevende, en het vasten der tiende maand, zal den huize van Juda tot vreugde, en tot blijdschap, en tot vrolijke hoogtijden wezen; hebt dan de waarheid en den vrede lief. — Zacharia 8:18-19

Men zou kunnen stellen dat deze vastendagen op deze plaats gecanoniseerd zijn en dat hier derhalve geen argument of aanwijzing aan ontleend kan worden voor een mondelinge leer. Dat zou echter geen recht doen aan de tekst. Op het moment dat Zacharia hier profeteert, zijn deze vastendagen al een bestaand gegeven. Zij zijn nergens in de Schrift voorgeschreven. Mogelijk ziet Esther 9 op de instelling van deze vastendagen.

Dat zij deze dagen van Purim bevestigen zouden op hun bestemde tijden, gelijk als Mórdechai, de Jood, over hen bevestigd had, en Esther, de koningin, en gelijk als zij het bevestigd hadden voor zichzelven en voor hun zaad; de zaken van het vasten en hunlieder geroep. — Esther 9:31

De instelling van het Purimfeest

De instelling van het Purimfeest vereist een nauwkeurige lezing van Esther 9. De commentaren bij de Statenvertaling lijken te veronderstellen dat Esther en Mórdechai het Purimfeest hebben ingesteld (zie kanttekening nr. 57).

Als men de tekst uit Esther 9 volgt dan ziet men echter dat in de verzen 20 e.v. beschreven wordt dat Mórdechai een eerste brief doet uitgaan om ‘te bevestigen’ dat de 14e en 15e dag van de maand adar onderhouden moeten worden (vers 21). Daarna ziet men in de verzen 26-28 dat ‘de Joden’ het Purim ‘op zich nemen’ en dat ‘de gedachtenis derzelve geen einde zou nemen bij hun zaad’ (vers 28). Daarna komt er pas de tweede brief van Esther en Mórdechai in de verzen 29 en 30.

Mórdechai en Esther hebben zonder meer een belangrijke rol gehad in het initiëren van het Purimfeest maar het werkelijke besluit om dit een feest te maken met een Bijbelse status (zoals de feesten ingesteld door Mozes) ligt bij ‘de Joden’ zoals benoemd in vers 27. Dat kan ook niet anders. Mórdechai en Esther, hoe belangrijk zij ook waren, hadden geen bevoegdheid om zelfstandig zo’n belangrijke beslissing te nemen.

Het ligt voor de hand dat ‘de Joden’ waarvan hier sprake is niet een ad hoc samengestelde commissie betrof die naar bevind van zaken een feest ingesteld hebben. Er moet hier sprake zijn geweest van een gezaghebbend ‘orgaan’ dat met het gezag van Mozes (zie hierboven) deze beslissing genomen heeft. Dit te meer omdat in vers 31 verwezen wordt naar de instelling van ‘de zaken van het vasten’. Mogelijk gaat het hier om de instelling van de vastendagen uit Zacharia (zie hiervoor).

Feit is dat op Purim niet gevast wordt, zie de verzen 17–19 en 22, waar sprake is van ‘maaltijden’. Daarbij is tevens relevant dat in vers 32 mogelijk een verwijzing is te vinden naar het canoniseren van het boek Esther. Er staat daar dat de geschiedenissen van dit Purim in (een) boek geschreven werden. Deze mededeling heeft alleen maar betekenis indien hier vermeld is dat het een bijzonder boek betreft, namelijk een boek dat gezaghebbende inhoud heeft en bij de canon hoort.

De Bijbel: resultaat van rabbinale besluitvorming

Men ziet hierboven weergegeven hoe het uitvaardigen van regelgeving buiten de Schrift tot stand komt in de praktijk (althans in het geval van Purim) en tevens hoe een gedeelte van deze besluitvorming gecanoniseerd is. Daar komt echter het volgende algemene punt bij.

De enkele samenstelling van de canon is onmiskenbaar ook het resultaat van rabbinale besluitvorming. Hoe had het anders gemoeten?

Frappant feit is dat de christelijke kerk de ‘Oudtestamentische’ canon als vanzelfsprekend heeft aanvaard zonder daarbij het rabbinale gezag ter discussie te stellen. De karaïeten vieren ook Purim en zitten wat dat betreft met hetzelfde probleem.

Er komt hier nog bij dat deze canon zonder mondelinge overlevering (en het daarbij behorende gezag) niet te begrijpen is, hij is immers in Bijbels Hebreeuws opgeschreven zonder klinkers en zonder interpunctie, zelfs spaties ontbreken. Zonder ‘achtergrondkennis’ van de tekst is deze onleesbaar.

Chanoeka: een vanzelfsprekendheid

Van het Purimfeest (zie hierboven) ligt het wellicht voor de hand om een sprong naar het christelijke Griekse Testament te maken. Daar wordt immers melding gemaakt van een ander feest in het Joodse jaar dat niet in de ‘Oudtestamentische’ canon opgenomen is, namelijk het Chanoekafeest. Zie daarvoor Johannes 10:22 (het feest van de ‘vernieuwing des tempels’).

De karaïeten vieren dit feest niet, maar het Johannesevangelie maakt er wel melding van en stelt, en dat is hier van belang, het bestaansrecht ervan in het geheel niet ter discussie. Men vindt geen enkele afkeurende wijze van formulering, het bestaan van dit feest is een gegeven.

Dat Jezus ook op het feest aanwezig is, past geheel bij zijn stelling dat de Schriftgeleerden en farizeeën gezeten zijn op ‘de stoel van Mozes’ (Matthéüs 23:2), wat niet anders kan zijn dan een metafoor voor het leergezag van Mozes dat doorgegeven is aan de farizeeën (dat blijkt uit het feit dat Jezus daar zegt dat men naar hun woorden moet luisteren en deze navolgen), zie Naar alles wat zij u leren.

Aren op sabbat

Een aanwijzing dat Jezus zijn erkenning van het leergezag van de Schriftgeleerden in praktijk bracht, kan worden gevonden in het feit dat Jezus de farizeeën niet weerspreekt, die zeggen dat het niet geoorloofd is om aren te plukken op de sabbat (Matthéüs 12:2). Althans hij betwist niet dat zo’n regel bestaat maar rechtvaardigt het plukken van de aren slechts door te wijzen op een uitzonderingsmogelijkheid (in de verzen 3 en 4). De regel dat men geen aren mag plukken op de sabbat komt niet uit de Schrift, vandaar dat ik meen dat ook hier sprake is van een aanwijzing naar een mondelinge leer.

Noachitische geboden in het Griekse Testament

Dan wil ik vervolgens stilstaan bij het zogenaamde apostelconvent waarvan verslag gedaan is in Handelingen 15. Ik meen dat er een tweetal aanwijzing naar de mondelinge leer te vinden is in hetgeen daar opgetekend is.

In de eerste plaats wordt door de apostelen daar de volgende stellingname betrokken: alle Joden (gelovig in Jezus of niet) worden geacht de gehele wet van Mozes na te leven, besnijdenis incluis (zie Handelingen 21:20 e.v.), terwijl de (gelovigen uit de) heidenen dat niet hoeven te doen en slechts een beperkt aantal (leef)regels in acht hebben te nemen (zie daarvoor de brief als opgenomen in Handelingen 15:23-29).

Punt is dat dit conform de rabbinale (mondelinge) leer is, inhoudende dat de Joden gehouden zijn de wet van Mozes te onderhouden terwijl de heidenen slechts verplicht zijn de zogenaamde zeven noachitische geboden na te leven.

Men kan deze zeven noachitische geboden herkennen in de genoemde brief van de apostelen met dien verstande dat ze niet alle zeven terugkeren. Dat is echter verklaarbaar omdat het gebod tot het instellen van een rechtssysteem niet echt aan de orde is op dat moment, omdat er in die dagen sprake is van een redelijk behoorlijk functionerend rechtsstelsel. Het verbod van diefstal en doodslag is daarmee reeds een gegeven en het gebod om de HEERE te eren behoeft geen nadere vermelding omdat het hier toch al om gelovigen gaat.

Niet in de Schrift maar toch ‘van Mozes’?

De tweede aanwijzing naar de mondelinge leer in de weergave van het apostelconvent in Handelingen 15 is te vinden in de argumentatie van Jakobus:

Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken en hij wordt op elke sabbat in de synagogen gelezen. — Handelingen 15:21

Wat betekent deze grammaticaal niet correcte en mede daardoor moeilijk te begrijpen zin?

Wat het in ieder geval niet kan betekenen, is dat gelovigen uit de heidenen, wanneer zij uit de wet van Mozes op sabbat gepredikt worden, allengs steeds meer uit de wet van Mozes zullen leren en ook steeds meer tot naleving van deze wet zullen komen gelijk de Joden dat gewend zijn te doen. Een dergelijke lezing van deze tekst staat haaks op de stelling van Jakobus in de twee verzen ervoor en het besluit van de vergadering zoals neergelegd in bovengenoemde brief.

Het kan in mijn wijze van zien alleen maar betekenen dat Jakobus zijn stellingname in de verzen 19 en 20 (‘daarom oordeel ik dat’, etc.) onderbouwt met een beroep op ‘Mozes’. Hij zegt met andere woorden dat de heidenen niet beroerd mogen worden anders dan dat zij zich dienen te onthouden van genoemde zaken omdat dat volgens de wet van Mozes zo is én dat iedereen die Mozes kent dat ook kan weten en behoort te weten. De beslissing van de apostelen is conform de wet van Mozes en geen nieuwlichterij, aldus Jakobus.

Maar nu komt mijn punt zoals van belang voor dit overzicht. Jakobus benoemt dit als een regel die van ‘Mozes’ is. Maar wat nu als dit een regel betreft die niet expliciet in de geschriften van Mozes te vinden is maar voortkomt uit de mondelinge leer? Dan benoemt Jakobus de mondelinge leer waarvan hier sprake is als ‘Mozes’ (als een metafoor voor ‘het gezag van Mozes’) en wordt dit tenslotte ook een aanwijzing voor het bestaan van een (gezaghebbende) mondelinge leer (vergelijk ‘de stoel van Mozes’ waar Jezus op doelde, Matthéüs 23:2).

Paulus erkent de ‘vaderlijke gewoonten’

Dan wil ik als laatste nog wijzen op de woorden van Paulus in Handelingen 28:17. Hij zegt daar dat hij niets gedaan heeft tegen het volk ‘of de vaderlijke gewoonten’.

Men zou kunnen stellen dat Paulus daarmee ‘gewoon’ de wet van Mozes op het oog heeft zonder te refereren aan een bestaande mondelinge traditie. Dat is echter niet zo waarschijnlijk. Het was immers (ook) in die dagen geen uitgemaakte zaak dat er een mondelinge leer was.

Terwijl Jezus het leergezag van de Schriftgeleerden en farizeeën onderstreepte, erkenden de sadduceeën dit leergezag niet. De term ‘vaderlijke gewoonten’ was in die tijd dus niet betekenisloos. Iedereen wist wat dat betekende, namelijk dat Paulus zich hier conformeert aan de rabbinale traditie, zoals door de farizeeën in stand gehouden.

Dat Paulus zich met de farizeeën verwant wist en zichzelf, ondanks zijn geloof in Jezus, nog steeds als farizeeër beschouwde blijkt ook wel als hij een beroep doet op hen tijdens zijn rechtsgeding (zie Handelingen 23:6). En die ‘verwantschap’ was wederzijds zo blijkt uit het vervolg als zij zeggen: ‘Wij vinden geen kwaad in deze mens’ (vers 9).

Als deze farizeeën gedacht hadden dat Paulus iets tegen de mondelinge leer had, zouden zij dat nooit gezegd hebben.

Pin It on Pinterest

Share This