Twee Tora’s

De sadducceeën, karaïeten en christenen hebben een ding gemeenschappelijk: zij erkennen wel de autoriteit van de schriftelijke Tora maar niet van de mondelinge. Christenen citeren daarbij vaak:

De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van mensen houdt u vast.

Nieuwe Testament, Markus 7:8

De schriftelijke Tora is de Choemasj, de eerste vijf boeken van de Bijbel. Dit zijn Beresjiet (Genesis), Sjemot (Exodus), Wajikra (Leviticus), Bemidbar (Numeri) en Debariem (Deuteronomium). De mondelinge Tora is voor een groot deel terug te vinden in de Talmoed.

Volgens het jodendom is op Sinai niet alleen de schriftelijke Tora geopenbaard maar ook een gedeelte van de mondelinge, welke als uitleg dient bij de schriftelijke. Voor meer informatie over de openbaring en bewaring van de mondelinge Tora, zie Mishneh Torah, Introduction.

Mijn stelling is nu dat uit de autoriteit van de schriftelijke Tora (de Choemasj) logischerwijs de autoriteit van de mondelinge Tora (de Talmoed) volgt.

Sola scriptura

Sola scriptura (alleen door de Schrift) is een van de vijf sola’s die een samenvattend uitgangspunt vormt van het protestantisme tijdens de Reformatie. Volgens de reformanten was alleen de Bijbel het woord van God. De rooms-katholieke kerk heeft naast de Bijbel als het ‘geschreven woord van God’ nog de kerkelijke overlevering, de traditie als gezaghebbende instantie voor leer en leven.

Hoewel de protestanten zich enkel bedoelden te verzetten tegen de katholieke traditie, hebben zij zich impliciet verzet tegen elke vorm van traditie. Het valt in ons protestantse Nederland dan ook niet mee om ons nog iets voor te stellen bij de mogelijke goddelijkheid van een mondelinge overlevering.

Een van de argumenten is dat een door mensen overgeleverde traditie eenvoudig kan vervormen, dit in tegenstelling tot een geschreven tekst. Echter, ook een geschreven tekst moet door mensen gekopieerd en bewaard worden en kan daardoor misvormen. De duizenden variabele lezingen van het Nieuwe Testament zijn daar een voorbeeld van. Dus zowel mondelinge als geschreven informatie is vatbaar voor misvorming.

De vraag is nu of zowel geschreven als mondelinge informatie bestand gemaakt kan worden tegen misvorming.

Een manier om misvorming te voorkomen, is door het maken van handmatige duplicaten. Wijkt er op een gegeven moment een exemplaar af van duizend andere exemplaren, dan weten wij dat we de fout moeten zoeken bij dat ene exemplaar. Bij het kopiëren van de geschreven Tora was dit een van de strategieën.Voor meer informatie over de accurate overlevering van de Choemasj, zie Accuracy of The Torah Text.

Bij mondeling overgeleverde informatie kan dezelfde strategie worden gebruikt.

Soms wordt bij mondelinge overdracht de vergelijking getrokken met het spel waarbij een zin in een lange keten van mensen doorgegeven moet worden, fluisterend van oor tot oor, met telkens weer hetzelfde resultaat: de zin zoals de laatste persoon deze hardop herhaalt, lijkt in geen enkel opzicht meer op het origineel.

Deze vergelijking gaat echter niet op wanneer mondelinge informatie niet overgeleverd wordt van individu op individu, maar van massa op massa. Want zodra een individu iets afwijkends roept, vindt er autocorrectie plaats: de massa zal hem verbeteren. Dankzij de zelfcorrigerende werking van massa’s is het dan ook niet mogelijk om nationale herinneringen kunstmatig te injecteren. Je kunt een volk niet laten geloven dat zij een catastrofale overstroming heeft meegemaakt als dat niet echt gebeurd is: de massa zal het individu corrigeren. Dit principe staat ook wel bekend als het Koezariprincipe.

De openbaring op Sinai voldoet aan het Koezariprincipe omdat Mosjee niet in zijn eentje de openbaring ontving, maar het volk als geheel.

Wees gewaarschuwd en neem u zorgvuldig in acht, zodat u nooit vergeet wat u met eigen ogen hebt gezien, maar de herinnering daaraan levendig houdt en alles aan uw kinderen en kleinkinderen doorvertelt. Vertel ze hoe u bij de Horeb voor de Eeuwige, uw God, verscheen, nadat hij tegen mij had gezegd: ‘Roep het volk bijeen, dan maak ik hun mijn geboden bekend. Dan leren ze ontzag voor mij te hebben zolang ze leven, en brengen ze dat ook hun kinderen bij.’ Op die dag kwam u schoorvoetend naar de voet van de berg, waaruit vuur hemelhoog opvlamde, te midden van duisternis en dreigende, donkere wolken. Toen sprak de Eeuwige tot u vanuit het vuur.

Debariem 4:9-12

Voor meer informatie over het Koezariprincipe, zie Living up to The Truth, Revelation and Miracles – the Kuzari Principle.

Mijn conclusie is dat zowel schriftelijke als mondelinge informatie bestand kan worden gemaakt tegen misvorming en dat daarom beide methoden in aanmerking kunnen komen voor de opslag van goddelijke informatie.

De zevende dag

Als wij er nu van uitgaan dat alleen de Schrift van goddelijke oorsprong is, dan zitten wij met een aantal onuitvoerbare geboden. Neem nou eens zoiets eenvoudigs als het sjabbatgebod.

Zes dagen mag je werken, maar de zevende dag is het sjabbat.

Sjemot 31:15

Hoe kunnen wij dit gebod uitvoeren als er niet bij staat wanneer het de zevende dag is? Is dat dinsdag, woensdag, zondag? Omdat de zevendaagse week niet gekoppeld is aan enig astronomisch verschijnsel, zoals volle maan, is het niet mogelijk – in ieder geval niet voor die tijd – om deze kennis schriftelijk vast te leggen.

En al zou er hebben gestaan dat de zevende dag op een zaterdag valt, hoe weten wij dan zonder menselijke traditie wanneer het zaterdag is?

Dit maakt de mondelinge informatie over wanneer het de zevende dag is nog niet van goddelijke oorsprong, maar het maakt de uitvoerbaarheid van de geschreven Tora er op zijn minst van afhankelijk.

Dus zelfs al zou de joodse, mondelinge traditie niet van goddelijke oorsprong zijn, dit eenvoudige voorbeeld laat zien dat de Tora alleen uitvoerbaar is als zij gelezen wordt in de context van de joodse traditie: haar uitvoerbaarheid is ervan afhankelijk.

Het is daarbij van belang dat de joodse traditie niet misvormt in de loop van de tijd. Blijkbaar gaat de Schrift daar ook van uit.

Maar in feite geldt deze afhankelijkheid op een nog veel fundamenteler niveau: hoe zouden wij het Hebreeuwse schrift waarin de Tora is opgetekend, kunnen lezen als er niemand zou zijn om ons het Hebreeuwse alfabet te leren?

Zoals ik u heb voorgeschreven

Wij hebben gezien dat de Tora impliciet verwijst naar de joodse traditie, maar dat dat nog niet wil zeggen dat die traditie dan ook van goddelijke oorsprong moet zijn. Uit een andere tekst is die conclusie echter wel te trekken.

U mag runderen, schapen of geiten die u van de Eeuwige hebt gekregen, slachten zoals ik u heb voorgeschreven.

Debariem 12:21

Nergens in de schriftelijke Tora kun je terugvinden hoe dit is voorgeschreven. Onze enige hoop voor de uitvoerbaarheid van dit gebod is de mondelinge overlevering. En aangezien dit door Mosjee ‘voorgeschreven’ is, is dit informatie van goddelijke oorsprong. Voor meer voorbeelden van geboden die zonder mondelinge traditie onuitvoerbaar zijn, zie Their Hollow Inheritance, The Oral Tradition.

Doe precies wat zij u voorschrijven

Wij hebben gezien dat volgens de schriftelijke Tora de joodse traditie informatie van goddelijke oorsprong bevat, bijvoorbeeld de details met betrekking tot het slachten van dieren.

De joodse traditie bevat daarnaast ook informatie van menselijke oorsprong maar met een goddelijke autoriteit. De Choemasj verwoordt dat als volgt:

In dergelijke gevallen moet u naar de plaats gaan die de Eeuwige, uw God, zal uitkiezen. Daar raadpleegt u de Levitische priesters en de rechter die daar op dat moment zetelt, en zij zullen uitspraak doen. Doe precies wat zij u voorschrijven en volg de aanwijzingen die u van hen krijgt nauwkeurig op. Houd u aan de uitleg die zij u geven en aan het vonnis dat ze uitspreken. Probeer in geen enkel opzicht te schikken en te plooien.

Debariem 17:8-11

In de christelijke boeken wordt hiernaar verwezen.

De schriftgeleerden en de farizeeën hebben plaatsgenomen op de stoel van Mozes. Houd je dus aan alles wat ze jullie zeggen en handel daarnaar.

Nieuwe Testament, Mattheüs 23:2-3

Beide teksten verwijzen naar het sanhedrien, het hooggerechtshof dat zetelde in de tempel (‘de plaats die de Eeuwige, uw God, zal uitkiezen’) en bestond uit zeventig leden plus een voorzitter (Bemidbar 11) die allen semicha (‘oplegging’) hadden ontvangen.

Ze luisterden naar Jehosjoea, de zoon van Noen, omdat hij vervuld was van de geest van wijsheid sinds Mosjee hem de handen had opgelegd [semicha].

Debariem 34:9

Wie semicha had ontvangen, kon dit ook weer doorgeven. Zo ontstond er een onafgebroken keten die terugvoerde tot Mosjee. Voor meer informatie over het sanhedrien, zie TheSanhedrin.org, Historical Overview.

Deze mensen waren gemachtigd om als rechters uitspraken te doen. Zij moesten ook alle uitspraken van het sanhedrien onthouden en doorgeven aan volgende generaties. Zij waren immers geboden zich te houden ‘aan de uitleg die zij u geven’ (Debariem 17:11). Zo werd de mondelinge traditie in de loop van de tijd uitgebreid.

Welke traditie?

Nu wij hebben vastgesteld dat de schriftelijke Tora zich afhankelijk maakt van de joodse, mondelinge en deels van oorspsrong goddelijke traditie en daar bindende autoriteit aan toekent, rest ons de vraag welke traditie dat dan precies is.

Omdat de traditie bij Sinai begonnen is, moet het een bron van informatie zijn die tot Sinai herleid zou kunnen worden en die voldoende details bevat om de geboden in de schriftelijke Tora uitvoerbaar te maken. Een bron die aan deze eisen voldoet, is de Talmoed. En bij mijn weten is er geen andere kandidaat.

De Talmoed is geschreven door mensen met semicha, dus met een onafgebroken link naar Mosjee. In het traktaat Pirkee Abot van de Talmoed worden de namen gegeven van de belangrijkste mensen in deze ononderbroken keten.

En in de Talmoed vinden wij inderdaad de benodigde details voor het slachten van dieren, ‘zoals ik u heb voorgeschreven’ (Debariem 12:21).

De Talmoed is opgeschreven in de tweede tot de vijfde eeuw na de gewone jaartelling omdat de joden onder de Romeinse onderdrukking vreesden voor de continuïteit van de mondelinge traditie. Die angst bleek gegrond: nadat de Talmoed klaar was, hield semicha op te bestaan.

Opportunistisch en inconsequent

Maar afgezien van dit alles is het eigenlijk simpelweg opportunistisch en inconsequent om wel de schriftelijke maar niet de mondelinge Tora te erkennen.

Want waarom erken je de goddelijkheid van de schriftelijke Tora eigenlijk? Stel je eens voor dat de joden na hun verbanning uit Jisraëel, in de zesde eeuw voor de gewone jaartelling, geassimileerd zouden zijn in het Babylonische rijk. We zouden dan nu nauwelijks nog iets van de joden weten. En stel dat we toevallig een Torarol op zouden graven, met de vijf boeken van Mosjee en dat wij in die Torarol voor het eerst de verhalen zouden lezen over de exodus en de openbaring op Sinai. Zou je dan geloven dat die openbaring echt had plaatsgevonden? Of zou het dan slechts een van de mythen zijn zoals wij die al zo veel kennen uit andere verhalen?

Ik heb een sterk vermoeden dat de Bijbel zonder het bestaan van het joodse volk geen enkele geloofwaardigheid in zich zou dragen. Het is omdat de joden ons vertellen dat zij de verhalen uit de Bijbel echt mee hebben gemaakt, dat wij daar geloofwaardigheid aan kunnen beginnen te hechten. Vandaar ook dat Mosjee hun opdroeg:

Wees gewaarschuwd en neem u zorgvuldig in acht, zodat u nooit vergeet wat u met eigen ogen hebt gezien, maar de herinnering daaraan levendig houdt en alles aan uw kinderen en kleinkinderen doorvertelt. Vertel ze hoe u bij de Horeb …

Debariem 4:9-10

Voor een nauwkeurig uitgewerkte versie van dit argument zie Living up to The Truth, Revelation and Miracles – the Kuzari Principle.

Kortom, het is vanwege het getuigenis van de joden dat wij de schriftelijke Tora als goddelijk kunnen beginnen te erkennen. Maar dit is niet het complete verhaal. Hun verhaal is dat God zich openbaarde op Sinai en vervolgens een mondelinge en een schriftelijke Tora gaf. Welke reden hebben wij dan om het eerste deel van hun verhaal niet te geloven en het tweede deel wel? Door elementen uit het verhaal te pikken die ons goed uitkomen, zijn wij opportunistisch en inconsequent bezig.

Waarom mondeling?

Nu rest ons nog de vraag waarom de openbaring in twee vormen is gegeven: schriftelijk en mondeling. Daar zijn een aantal redenen voor te verzinnen.

  • Niet alle kennis is te vatten in woorden. Wil je een chirurg worden, dan kun je dat niet enkel leren uit boeken. Je hebt een docent nodig die de handelingen voordoet. Zo is het ook met veel geboden uit de Tora.
  • Een geschreven tekst is altijd vatbaar voor misinterpretatie. De versplintering binnen het protestantse christendom is daar een voorbeeld van. Door mondelinge overlevering vindt correctie plaats. Een boek heeft niet door wanneer het verkeerd begrepen wordt, een docent wel.
  • Aan de schriftelijke Tora mag niets worden toegevoegd, terwijl de mondelinge Tora wel uitgebreid mag en moet worden, volgens een bepaalde systematiek. Op die manier wordt er voorzien in toekomstige, tot dan toe onbekende situaties.
  • Een boek stoft gemakkelijk weg in de kast, terwijl iets dat mondeling bewaard moet worden, actief moeten worden overgeleverd, herhaald en besproken, waardoor het uiteindelijk een deel wordt van je persoonlijkheid.

Verder lezen

Wil je het joodse standpunt met betrekking tot de Talmoed goed leren kennen, dan is Rambams introductie tot zijn commentaar op de Misjna een echte aanrader.

Maimonides’ Introduction to the Talmud

This award-winning English translation of Maimonides’ indispensable work has become a classic. In this superb introduction to the Talmud, Maimonides explains the origins, aims, methodology, and spirit of the Talmud and delineates all the Rabbinic sages of the period. Includes the complete Hebrew text of Maimonides’ Introduction.

Pin It on Pinterest

Share This